Tagarchief: woordenschat

Franse kastanjes

images[3]

De kastanjes zijn vroeg dit jaar. De rapers ook: wilde kastanjes laten ze liggen, tamme rapen ze op en te mooie exemplaren peuteren ze desnoods uit hun stekelige bolsters. Franstalige liefhebbers doen natuurlijk precies hetzelfde. Maar welke eten ze op, châtaignes of marrons? En bedoelen ze met ‘un marronnier’  altijd een boom?

‘Beide’ is het antwoord op de eerste vraag. In courant Frans heet een tamme kastanjelaar (Castanea sativa) zowel châtaignier als marronnier, en de tamme kastanje la châtaigne of le marron. De marron is in feite de grotere, gekweekte versie van de tamme châtaigne die ‘wild’ in de natuur voorkomt. Ze leent zich beter voor culinaire producten zoals marrons glacés of marrons confits. Niet opkijken dus van de châtaignes die je aantreft bij de ingrediënten van een recept voor marrons grillés, en evenmin van de compote de châtaignes of purée de marrons op een menu: het zijn allemaal tamme kastanjes. Maar verwar ze niet met de marrons d’Inde, vruchten van de marronnier d’Inde (Aesculus hippocastanum), want dat zijn onze wilde (paarden)kastanjes.

En wat met die tweede betekenis van marronnier? Wel, ook Franstaligen krijgen elk jaar opnieuw te lezen over kastanjes. Of over de beaujolais nouveaula rentrée scolairele top des prénoms en français: gelegenheidsberichten, ideaal om gaatjes te vullen bij gebrek aan ander nieuws. In Frans journalistiek jargon noemt men zoiets, goed geraden, ‘un marronnier’. Woordenboek Robert omschrijft het als volgt:  “Fig. (Argot de la presse, des médias). Sujet rebattu qui reparaît régulièrement (comme la floraison des marronniers d’Inde, au printemps)”.

Is een blogpost in september over de marronnier zélf een marronnier? Onvermijdelijk.

Juliganger of augustusfan

cc_el_120085[1]

Elke zomer halen de Fransen – naast hun tongs (slippers), transats (ligstoelen) en serviettes de plage (strandlakens) – ook de uitdrukking chassé-croisé uit de kast. Met deze term uit de balletwereld beschrijven ze het aflossen van de wacht onder vakantiegangers, en de bijhorende verkeersdrukte. Momenteel is het weer zover: de juilletistes trekken naar huis, de aoûtiens vertrekken op vakantie, en iedereen heeft het over: “le premier grand chassé-croisé de l’été“.  Er komen er dus nog.

Chassé-croisé laat zich niet goed vangen in één Nederlands woord (komen en gaan/uitwisseling van toeristen?) en juilletiste (julivakantieganger?) of aoûtien (augustustoerist?) al evenmin. Die laatste twee hebben trouwens nog meer vakantietrekjes. Schrijf ze zoals je wil (juilletiste of juillettisteaoût of aout) en zeg gerust [oet] of [oe], het mag allemaal. En dan heb je ook nog de bizarre a, die je NOOIT hoort in août en ALTIJD in afgeleiden zoals aoûtien [aoussien]. Een tikje excentriek, ja, maar dat past perfect bij een warme zomer.  

Vakantiewoorden. “Laat alle regels los,” lijken ze te suggereren, “en ga er even tussenuit.” Welja, goed idee. Bonnes vacances à toutes et à tous!

Passage canadien

WP_001071

Al meer dan een uur zalig onderweg op het ritme van knarsend dolomiet, krekels en insectengezoem, en dan duikt plots een  verkeersbord op.  Spijtig. Een wegnummer of de discrete mededeling ‘Réserve naturelle de France’, dat kan nog net, maar een lelijk gevarenbord met uitroepteken?

Soit. PASSAGE CANADIEN.  Ah, het nut van de Franse hoofdletter. (Toegegeven, alleen taalnerds maken zich zo’n bedenking. Even kijken of we er wijzer van worden). Mét hoofdletter verwijst Canadien naar de persoon, wat betekent  dat, zoals in ‘passage piéton’,  de zone – hoe onwaarschijnlijk ook – niet voor jou toegankelijk is, tenzij je Canadees bent; zónder is het een adjectief, en blijf je vastzitten in een ‘Canadese doorgang’. (Zijn we nu wijzer?). Waarom je voor het één of het ander moet oppassen blijft een raadsel.

Een paar stappen verder ligt het antwoord gelukkig gewoon voor je voeten: het is een veerooster, bedoeld om het wild binnen het natuurdomein te houden. Ja, natuurlijk. Daar weten de Canadezen met hun uitgestrekte natuurparken alles van. Met kleine -c dus. (Daar is de taalnerd weer).

Blijkbaar bestaat ook de benaming ‘bovistop’… Neen, dan liever het exotische  ‘passage canadien’ van Oh Canada. Dat past al bij al toch beter in het plaatje.

Delen of reageren is leuk!

Paris-Brest

paris_brest[1]

Paris-Roubaix? Als wielrenner weet je meteen waar je voor gaat. Milaan-San Remo? Stevig doortrappen tot in San Remo. Luik-Bastenaken-Luik? Praktisch, moet je tenminste niet met je fiets de bus op, terug naar plaats van vertrek. Paris-Brest-Paris (PBP voor de kenners): idem.

Deze koers doet bij snoepers echter ook een ander belletje rinkelen. Taart!!  Op vraag van de vader van PBP creëerde bakker Louis Durand in 1910 een stevig gebak in de vorm van een fietswiel. Et voilà, de Paris-Brest was geboren.

De zware klassieker (341 kcal per portie) is weer helemaal in. Topchefs proberen lichtere pralinévullingen uit, amateurbakkers geven elkaar tips op het web, bloggers publiceren posts.  Alleen, die éne bakker die een rechthoekige Paris-Brest promoot, heeft die het wel goed begrepen?

‘Où déguster les meilleurs Paris-Brest à Paris?’ (terrafemina.com, 2013)

Quant au Paris-Brest, sans être mon dessert préféré, j’ai juste pris un plaisir immense à le savourer. Onctueux, praliné comme il faut et pas trop sucré: à tomber! (Laurie L. Tripadvisor, 2012)