Tagarchief: Franse uitdrukkingen

Franse kastanjes

images[3]

De kastanjes zijn vroeg dit jaar. De rapers ook: wilde kastanjes laten ze liggen, tamme rapen ze op en te mooie exemplaren peuteren ze desnoods uit hun stekelige bolsters. Franstalige liefhebbers doen natuurlijk precies hetzelfde. Maar welke eten ze op, châtaignes of marrons? En bedoelen ze met ‘un marronnier’  altijd een boom?

‘Beide’ is het antwoord op de eerste vraag. In courant Frans heet een tamme kastanjelaar (Castanea sativa) zowel châtaignier als marronnier, en de tamme kastanje la châtaigne of le marron. De marron is in feite de grotere, gekweekte versie van de tamme châtaigne die ‘wild’ in de natuur voorkomt. Ze leent zich beter voor culinaire producten zoals marrons glacés of marrons confits. Niet opkijken dus van de châtaignes die je aantreft bij de ingrediënten van een recept voor marrons grillés, en evenmin van de compote de châtaignes of purée de marrons op een menu: het zijn allemaal tamme kastanjes. Maar verwar ze niet met de marrons d’Inde, vruchten van de marronnier d’Inde (Aesculus hippocastanum), want dat zijn onze wilde (paarden)kastanjes.

En wat met die tweede betekenis van marronnier? Wel, ook Franstaligen krijgen elk jaar opnieuw te lezen over kastanjes. Of over de beaujolais nouveaula rentrée scolairele top des prénoms en français: gelegenheidsberichten, ideaal om gaatjes te vullen bij gebrek aan ander nieuws. In Frans journalistiek jargon noemt men zoiets, goed geraden, ‘un marronnier’. Woordenboek Robert omschrijft het als volgt:  “Fig. (Argot de la presse, des médias). Sujet rebattu qui reparaît régulièrement (comme la floraison des marronniers d’Inde, au printemps)”.

Is een blogpost in september over de marronnier zélf een marronnier? Onvermijdelijk.

Gevoelige cijfers

WP_20140905_004

Zijn cijfers neutraal? Niet altijd. Bij elke tel van “Een-twee-drie: start!” popelen we van verwachting. En software die in 1-2-3 rapporten op maat genereert, een app die in 1-2-3 een nieuwe route berekent, een recept dat in 1-2-3 een lekker gerecht belooft, het maakt ons allemaal wel eens blij, of toch minstens opgelucht. Maar hola, 1-2-3 suggereert niet: slordig, afgeraffeld, in elkaar geflanst! Integendeel, het staat voor snel, wel, en nog plezierig ook. Conclusie: 1-2-3 is prima voor het humeur.

En wat voel je bij de cijfers 6-4-2? Niets? Probeer het dan in het Frans. Six-quatre-deux [sis-kat-dø]. Tja, in het Frans voorspelt deze cijfferreeks niet veel goeds. A la 6-4-2 is synoniem van à la va-vite, négligemment, sans soin: slordig, afgeraffeld, in elkaar geflanst. Of nog – hopelijk lezen er geen Fransen mee –  “met de Franse slag”*. Conclusie: een Franse 6-4-2, is niet altijd oké.

Waar die betekenis vandaan komt? Zelfs het vermaarde Expressio.fr wil er zich niet over uitspreken. Mogelijk verwijst het naar een Frans (?) kindertrucje om een profiel te tekenen: een (voorhoofd en oog), daaronder een 4 (neus en bovenlip) en helemaal onderaan een 2 (mond en kin). Snel, rudimentair, met wisselend resultaat.

Al valt dat laatste wel mee. Ja inderdaad, het plaatje bij deze blog is zelfgemaakt – letterlijk en figuurlijk à la 6-4-2 –  en neen, er is helemaal niets moeilijks aan: in 1-2-3 zet je het op papier …met veel plezier.

*  Franse slag was een paardrijterm voor een bepaalde, zwierige zweepslag, die later evolueerde naar de figuurlijke betekenis ‘niet degelijk, slordig’. bron: Onze Taal. Zwierig, sierlijk, soepel, slordig … wie zal het zeggen. Nos excuses, chers amis français.    

Doe de perenboom

BERICHT

Geeft de Russische boycot op Belgische peren een bijsmaak aan onze “appel voor de dorst”, dan is de Franse versie “garder une poire pour la soif” zo mogelijk nog cynischer. Wij gaan ervan uit dat dit onbedoeld is. Toch menen wij  – ter compensatie van deze ongelukkige bijklank – een geste te mogen verwachten vanwege de Franse taal, met name onder de vorm van de uitleen van enkele uitdrukkingen.  

Verklaren wij ons nader. Zoals onderling overeengekomen eten wij voortaan onze perenberg zélf op. Dat is op zich een goede zaak, ware het niet dat wij niet genoeg peren eten. Het aantal plukklare en etensrijpe vruchten neemt gestaag toe, en extra promotie dringt zich op. Wij denken hierbij aan een frekwenter gebruik van het woord peer en aanverwanten. Want wie vaak peer zegt, vaak peer eet.

De Franse taal nu biedt ons ootmoedig enkele gepaste uitdrukkingen aan, die wij – ter bevordering van de consumptie van de Belgische peer – kunnen ontlenen, zolang de nood hoog is.

De eerste kandidaat is de uitdrukking: “de perenboom doen” (faire le poirier). Illustratrice Amandine Alezard toont ons hier hoe we die Franse versie van een handstand best aanpakken (en ook van een palmboom en een bambou, maar dit terzijde). Wij vragen dringend om deze beeldrijke zegswijze per direct over te nemen, om ze vervolgens te pas (en desnoods ook te onpas) te gebruiken, kwestie van de aandacht voor onze peer levendig te houden.

Een tweede kandidaat is het gezegde “tussen de peer en de kaas” (entre la poire et le fromage), wat staat voor iets tussendoor afhandelen, op een verloren moment. Deze uitdrukking bevat niet alleen het woord peer – de eerste vereiste – maar poneert de peer bovendien als mogelijk dessert! Voorwaar twee vliegen in één klap, én een stijlvol alternatief voor “tussen de soep en de patatten”.

Een derde kandidaat kunnen we, gezien de doelstelling, niet in aanmerking nemen. “De peer in twee snijden” (couper la poire en deux) is niet wat we nú beogenFiguurlijk gebruikt stelt zich geen enkel probleem, integendeel, compromissen zoeken is typisch Belgisch en zou ons kunnen inspireren in de perenstrijd; maar letterlijk is het promoten van een halve in plaats van een hele peer, gezien de omstandigheden, niet aangewezen.

Leve de peer! Doe de perenboom!

EINDE BERICHT

Juliganger of augustusfan

cc_el_120085[1]

Elke zomer halen de Fransen – naast hun tongs (slippers), transats (ligstoelen) en serviettes de plage (strandlakens) – ook de uitdrukking chassé-croisé uit de kast. Met deze term uit de balletwereld beschrijven ze het aflossen van de wacht onder vakantiegangers, en de bijhorende verkeersdrukte. Momenteel is het weer zover: de juilletistes trekken naar huis, de aoûtiens vertrekken op vakantie, en iedereen heeft het over: “le premier grand chassé-croisé de l’été“.  Er komen er dus nog.

Chassé-croisé laat zich niet goed vangen in één Nederlands woord (komen en gaan/uitwisseling van toeristen?) en juilletiste (julivakantieganger?) of aoûtien (augustustoerist?) al evenmin. Die laatste twee hebben trouwens nog meer vakantietrekjes. Schrijf ze zoals je wil (juilletiste of juillettisteaoût of aout) en zeg gerust [oet] of [oe], het mag allemaal. En dan heb je ook nog de bizarre a, die je NOOIT hoort in août en ALTIJD in afgeleiden zoals aoûtien [aoussien]. Een tikje excentriek, ja, maar dat past perfect bij een warme zomer.  

Vakantiewoorden. “Laat alle regels los,” lijken ze te suggereren, “en ga er even tussenuit.” Welja, goed idee. Bonnes vacances à toutes et à tous!

Eeuwig groen

Sous-marin-vert[1]

Gelukkig zijn we het wél eens over de kleuren in het verkeer: groen is feu vert, oranje orange en rood rouge. Dat rouge niet altijd letterlijk rood betekent – zoals in feu rouge, verkeerslicht of rouge à lèvres, lippenstift – begrijpen we. En dat onze melkmuil verandert in een bleke blanc-bec, tot daaraan toe. Maar soms zien we het anders.

Niet dat het veel uitmaakt: iemand een groentje of un bleu noemen, het blijft onsympathiek. Met wat geluk lacht de Nederlandstalige er groen of witjes om, en de Franstalige geel (rire jaune), wat allicht beter is dan dat ze zich groen van nijd opwinden (faire une jaunisse). Maar als je pech hebt ontsteken ze in een witte of blauwe woede (une colère bleue)! In dat geval ontdek je waarschijnlijk dat een blauw oog en un œil au beurre noir even pijnlijk zijn, ongeacht de taal. Eigen schuld.

Toegegeven, misschien zit de Franse poisson rouge dichter bij de realiteit dan onze Nederlandse goudvis. Maar glanzen boterbloemen niet als boter die smelt in de zon? Neen, blijkbaar niet in de Franse zon, daar glimmen de boutons-d’or als gouden knopen.

Er zijn natuurlijk schemerzones waar de taalkleuren zich vermengen. Kennen wij de zachte savon vert als groene of bruine zeep, dan kijken we niet op van het Belgische zeepmerk d’Or. Vragen we aan een Franse groenteboer een groene eikenbladsla, dan krijgen we une laitue de feuille(s) de chêne mee, ofwel verte, ofwel blonde, wat op hetzelfde neerkomt. Maar misschien heb je liever de rode variant? Vraag dan une chêne rouge en/of grenadine.

Ach, kleuren vergaan, alleen evergreens blijven bestaan. Sterker nog, sommige ‘vertaalde’ evergreens lijken groener dan het origineel. Luister maar naar le sous-marin vert, de Franse versie van de Yellow Submarine van de Beatles:

 “Nous partions dans un beau sous-marin vert, un sous-marin vert, vert comme la mer. Tantôt vert, tantôt  vert et tantôt bleu, Tantôt vert et bleu, comme nos rêves bleus.”

Kleurenschennis? Tekenaar Lapuss’ lacht er fijntjes mee en laat zijn stripfiguurtje Le Piou – een groene vogel die vaak opduikt in de Spirou-albums –  de klus klaren met een verfkwast. Zo is het, des goûts et des couleurs, on ne discute pas. 

Dit is een bewerking van een bericht uit mijn blog ‘Gewoon Communiceren’ (2010).        

Lees in dit verband ook:  Het paaskonijn

Linkedin: be.linkedin.com/in/christlverbert/nl        

Gelukstanden

dents-de-la-chance_540189[1]

Wat hebben Brigitte Bardot, Lara Stone of nog Ronaldo met elkaar gemeen? Wel, diastema, of gewoon gezegd: een spleetje tussen de voortanden.

Je hebt gelijk. Op zich is dit feit niet voldoende interessant om je van je werk af te houden, ware het niet dat de Fransen er een knappe uitdrukking voor hebben, namelijk, dents du bonheur. Mooi toch?

Waar de term vandaan komt is niet duidelijk, maar het zou iets te maken kunnen hebben met munitie. Ten tijde van Napoleon hadden de soldaten op het slagveld,  met het musket in de éne en het munitiepatroon in de andere hand, weinig andere keuze dan de papieren huls open te scheuren met hun tanden, althans volgens Alain PIGEARD en Jean DIF. En, zo gaan ze voort, wie een slecht gebit had ging er onverbiddelijk uit. Afgekeurd voor de dienst.

Al bij al zo slecht niet, die slechte tanden. Eerder een imperfectie met perfect gevolg. Hoe dan ook, het verhaal wil dat tóen de uitdrukking dents du bonheur of dents de la chance geboren werd.

Moderedacteurs van nu schrijven dat het gelukbrengende spleetje tussen de voortanden  – net als (schoonheids)vlekjes, sproetjes, kuiltjes –  een mens een stuk aantrekkelijker maakt. Dents du bonheur, taches de beauté, taches de rousseur en niet te vergeten fossettes: een absolute must voor elke Miss (en Mister) in spe!

Jane Birkin, Yannick Noah en Madonna liggen er niet wakker van. En ijsman Ötzi? (Ja Ötzi, de ijsmummie uit het Ötztal.) Evenmin. Zijn dents du bonheur brengen hem al eeuwenlang een gelukkige slaap. Maar of het hem mooier maakt … ?

 

Het paaskonijn

paques-copie-1[1][1]

Soms zijn Franse uitdrukkingen belachelijk simpel. Gewoon letterlijk vertalen en de kous is af. Een kat een kat noemen? Appeler un chat un chat. Een hondenleven leiden? Mener une vie de chien.  Krokodillentranen plengen? Verser des larmes de crocodile. Eenvoudiger kan niet.

Maar opgepast, dieren laten zich niet altijd braaf vertalen. Eens de slapende hond gewekt, staat de beestenboel op stelten: il ne faut pas réveiller le chat qui dort, weten de Fransen.

Het begint al met de Sint. Huppelt in onze liedjes het paardje van Sinterklaas het dek op en neer, staat voor hem in Wallonië en het noorden van Frankrijk steevast een ezel klaar. Saint Nicolas, arrête ton âne là, là et là, zingen de kindertjes. Niet dat je nu paard door ezel vertaalt, maar toch, converseren met Franstaligen over het paard of de ezel van Sinterklaas, het is niet om het even.

Kikker of kat evenmin. Heb je last van een schorre stem, dan is dat vast te wijten aan die vervelende kikker. Maar een Franstalige, ho maar, die kucht pas wanneer er een kat in zijn keel zit. Avoir un chat dans la gorge, dat is pas écht lastig! Trouwens, hij deed die kriebelingen op toen hij in een berekoude froid de canard vruchteloos wachtte op iemand die hem zijn konijn stuurde. ‘Kat!’ zeg je. Neen, neen, niet voor een Francofoon. Die zucht: ‘Zut, il m’a posé un lapin’.

Van konijnen gesproken. Wie brengt binnenkort de paaseieren? Deze voel je al aankomen.  Inderdaad, in vele Franstalige tuinen huppelt geen paashaas, maar wel een paaskonijn rond:  le lapin de Pâques. Behalve dan in oudere tuinen of in de Alsace aan de grens met Duitsland, daar duikt naar het schijnt soms nog een lièvre de Pâques op.

Wie heeft nu gelijk? Willen we aanstaande zondag uitroepen tot paasdierteldag? Of toch maar liever niet … wie weet jaagt onze taalkundige interesse hem weg! Lange oren of korte oren, wat maakt het tenslotte uit, als het beestje maar (veel) chocolade eieren brengt.

Joyeuses Pâques à tous! 

Delen of reageren is leuk.

Lees in dit verband ook Eeuwig groen.

Linkedin: be.linkedin.com/in/christlverbert/nl