Langzaam lezen

images[6]

Sommige titels laten je jarenlang koud, alle verplichte schoollectuurlijsten, mooie heruitgaven of film- en tv-bewerkingen ten spijt. Totdat je in een doos oude boeken op de bewuste pocket stoot en beseft: nu of nooit.

Elke avond lees je een hoofdstukje. Bedachtzaam, als een fijnproever. Je hoort jezelf de bladzijden omslaan, je ruikt het oude papier, en na een half uurtje baken je het verhaal met de bladwijzer af. Wordt vervolgd. Morgen.

Le lion van Joseph Kessel speelt zich af in een wildreservaat, met de besneeuwde Kilimanjaro op de achtergrond. De ik-verteller is er te gast bij het directeursgezin, en ontdekt hoe passie voor een leeuw maar ook angst voor de wildernis hun doen en laten bepalen. De komst van de Masaï brengt een spannend crescendo op gang dat in een noodlottige ontknoping uitmondt.

Joseph Kessel regisseert zijn roman als een film, met afwisselend actie, dialogen en poëtische evocaties van de natuur die als het ware vragen om herlezen te worden. Hij legt een rustig leesritme op via de tweedelige structuur en de korte hoofdstukken, en zet aan tot reflectie met symbolische en maatschappijkritische toetsen. Maar bovenal vertelt hij een prachtig verhaal, dat sommigen tot tranen toe ontroert.

Herlezen, traag lezen, reflecteren voor meer impact en diepere beleving, is het dat niet waar het in de nieuwe ‘Slow Reading’-trend om draait? Langzaam lezen is goed voor je brein, schrijft de Washington Post, en vermindert stress. Het is vooral goed voor hart en ziel, daarvan levert het lezen van Le lion van Joseph Kessel een overtuigend bewijs.

Lees ook Een goed ‘Frans’ boek 

Wie is Simone?

Img-261-300x218[1]

Wist Erik Van Looy dat zijn ” ’t Is gebeurd “, telkens op het einde van een finale van de Slimste Mens ter Wereld, de Wikipedia zou halen? Wie weet. De kandidaat die in het Rad Van Fortuin voor het eerst “Ik ga het zeggen, Walter” zei, vermoedde waarschijnlijk niet dat zijn uitspraak een ludieke toekomst tegemoet ging. Zo worden populaire tv-programma’s soms (onverwachts) springplanken voor uitdrukkingen, en zo verging het ook de zegswijze ‘En voiture, Simone!

De vrolijke, alledaagse uitdrukking betekent ‘Allons-y, démarrons’ en is een verkorte vorm van En voiture Simone, c’est moi qui conduis, c’est toi qui klaxonnes!” Maar wie is toch die Simone?

In feite zijn het er twee.

De eerste Simone behaalde in 1929 (!) op 19 jarige leeftijd haar rijbewijs, nam succesvol deel aan autorally’s en -races, om in 1957 (!) een autorijschool te openen. Geen wonder dat de naam van deze autosportdiva in het geheugen van vele Fransen bleef hangen en aanleiding gaf tot woordspelletjes. Alleen haar voornaam weliswaar, maar dat is begrijpelijk: ze heette voluit … Simone Louise de Pinet de Borde des Forest. Dus zeg maar Simone.

De tweede was Simone Garnier. Ze was co-presentatrice van het populaire Intervilles, een leuk Frans tv-programma uit de jaren ’60. Haar medepresentator Guy Lux riep vaak ‘En voiture, Simone!, in allusie op Simone 1 én Simone 2. En zie, de zegswijze werd immens populair.

De uitdrukking mag al wat oubollig overkomen – ze dateert dan ook uit de vorige eeuw –  toch wordt ze tot op vandaag nog gretig gebruikt. ‘En voiture Simone’ duikt op als naam van blogs (van schrijver-journalist Franck Pelé, van autojournalist Yves de Partz, van de familie Simon op wereldreis), als naam van infosessies over covoiturage (carpooling), als merknaam van kinderaccessoires, enzovoort.

Een kranige oude tante die ‘En voiture, Simone’, niet? Tja, om dat succes te evenaren zullen ” ’t Is gebeurd ” en “Ik ga het zeggen, Walter” toch nog enkele tientallen jaren moeten knokken … .

Franse kastanjes

images[3]

De kastanjes zijn vroeg dit jaar. De rapers ook: wilde kastanjes laten ze liggen, tamme rapen ze op en te mooie exemplaren peuteren ze desnoods uit hun stekelige bolsters. Franstalige liefhebbers doen natuurlijk precies hetzelfde. Maar welke eten ze op, châtaignes of marrons? En bedoelen ze met ‘un marronnier’  altijd een boom?

‘Beide’ is het antwoord op de eerste vraag. In courant Frans heet een tamme kastanjelaar (Castanea sativa) zowel châtaignier als marronnier, en de tamme kastanje la châtaigne of le marron. De marron is in feite de grotere, gekweekte versie van de tamme châtaigne die ‘wild’ in de natuur voorkomt. Ze leent zich beter voor culinaire producten zoals marrons glacés of marrons confits. Niet opkijken dus van de châtaignes die je aantreft bij de ingrediënten van een recept voor marrons grillés, en evenmin van de compote de châtaignes of purée de marrons op een menu: het zijn allemaal tamme kastanjes. Maar verwar ze niet met de marrons d’Inde, vruchten van de marronnier d’Inde (Aesculus hippocastanum), want dat zijn onze wilde (paarden)kastanjes.

En wat met die tweede betekenis van marronnier? Wel, ook Franstaligen krijgen elk jaar opnieuw te lezen over kastanjes. Of over de beaujolais nouveaula rentrée scolairele top des prénoms en français: gelegenheidsberichten, ideaal om gaatjes te vullen bij gebrek aan ander nieuws. In Frans journalistiek jargon noemt men zoiets, goed geraden, ‘un marronnier’. Woordenboek Robert omschrijft het als volgt:  “Fig. (Argot de la presse, des médias). Sujet rebattu qui reparaît régulièrement (comme la floraison des marronniers d’Inde, au printemps)”.

Is een blogpost in september over de marronnier zélf een marronnier? Onvermijdelijk.

De juffertjes met de rode pompons

cms-sh-marin[1]

Hoe herken je een matroos van de Franse Marine? Aan de rode pompon op zijn pet. Leuk weetje, hoor ik je denken, maar wat dan nog? Wel … .

Zo’n frivole pompon rouge   al zijn er strikte voorschriften: diameter 8 cm, hoogte 25mm, gewicht 14,1 en geen gram meer, kleur meekraprood (rouge garance)   geeft natuurlijk aanleiding tot vele, echte en verzonnen, verhalen.

Zo wil de legende dat een matroos, die in de houding sprong om keizerin Eugénie aan boord van zijn schip te begroeten, zijn hoofd stootte; de keizerin gaf hem haar kraakwitte zakdoek, die terstond rood kleurde, et voilà, de pompon national was geboren! Of nog, de pompon porte-bonheur aanraken zonder dat de matroos in kwestie het merkt, brengt één dag geluk; merkt hij het wél, dan ben je hem een kus verschuldigd (misschien ook een meevaller, al naar gelang de matroos).

Het verhaal van de juffertjes* met de rode pompons echter, is geen verzinsel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog, meer bepaald in oktober 1914, kwamen Franse soldaten de Belgische troepen versterken. Omdat de meeste van deze, overwegend Bretoense, fusiliers marins piepjong waren, kregen ze al gauw de bijnaam les demoiselles aux pompons rouges. Duizenden sneuvelden in de Ijzerslag, en tot op vandaag leeft hun bijnaam voort als heldennaam.

Zo heeft die pompon rouge toch ook iets met ons geluk te maken. Of hoe een luchtig weetje een historisch, scherp kantje kan hebben.

* zo staat het in een ontroerend Nederlands gedicht uit 1917, Van Daan Boens  ‘Les demoiselles au pompon-rouge (Herinnering aan Diksmude)’. In oktober 2014 verschijnt het boek ‘Les demoiselles aux pompons rouges. La résistance des fusiliers marins à Dixmude’, van Benjamin Messieu.

Gevoelige cijfers

WP_20140905_004

Zijn cijfers neutraal? Niet altijd. Bij elke tel van “Een-twee-drie: start!” popelen we van verwachting. En software die in 1-2-3 rapporten op maat genereert, een app die in 1-2-3 een nieuwe route berekent, een recept dat in 1-2-3 een lekker gerecht belooft, het maakt ons allemaal wel eens blij, of toch minstens opgelucht. Maar hola, 1-2-3 suggereert niet: slordig, afgeraffeld, in elkaar geflanst! Integendeel, het staat voor snel, wel, en nog plezierig ook. Conclusie: 1-2-3 is prima voor het humeur.

En wat voel je bij de cijfers 6-4-2? Niets? Probeer het dan in het Frans. Six-quatre-deux [sis-kat-dø]. Tja, in het Frans voorspelt deze cijfferreeks niet veel goeds. A la 6-4-2 is synoniem van à la va-vite, négligemment, sans soin: slordig, afgeraffeld, in elkaar geflanst. Of nog – hopelijk lezen er geen Fransen mee –  “met de Franse slag”*. Conclusie: een Franse 6-4-2, is niet altijd oké.

Waar die betekenis vandaan komt? Zelfs het vermaarde Expressio.fr wil er zich niet over uitspreken. Mogelijk verwijst het naar een Frans (?) kindertrucje om een profiel te tekenen: een (voorhoofd en oog), daaronder een 4 (neus en bovenlip) en helemaal onderaan een 2 (mond en kin). Snel, rudimentair, met wisselend resultaat.

Al valt dat laatste wel mee. Ja inderdaad, het plaatje bij deze blog is zelfgemaakt – letterlijk en figuurlijk à la 6-4-2 –  en neen, er is helemaal niets moeilijks aan: in 1-2-3 zet je het op papier …met veel plezier.

*  Franse slag was een paardrijterm voor een bepaalde, zwierige zweepslag, die later evolueerde naar de figuurlijke betekenis ‘niet degelijk, slordig’. bron: Onze Taal. Zwierig, sierlijk, soepel, slordig … wie zal het zeggen. Nos excuses, chers amis français.    

Begin- en eindformules van Franse, zakelijke e-mails

575548[1]

“Veuillez agréer, Monsieur, mes salutations distinguées” is waarschijnlijk de beroemdste slotformule uit de Franse zakelijke briefwisseling, maar voor Franse zakelijke e-mails, deugt ze niet.

Welke formules dan wel? Veel hangt af van het formele of informele register. Als je niet vaak Frans schrijft neem je best de aanspreking en slotgroet van de correspondent over. Zo blijf je veilig op dezelfde golflengte. Altijd onder voorbehoud natuurlijk. Het is niet omdat je Franstalige collega, ooit, in een jolige bui, salut, coucou, bises, ciao of zelfs het rustigere A+ (à plus tard) gebruikte, dat deze termen tot het zakenjargon behoren. Anderzijds schakelen we in e-mailverkeer meestal wel vlugger over van formele naar meer informele taal, zeker onder collega’s of goede zakenrelaties.

Hoe begin je eraan?

Een formele mail, gericht aan een geadresseerde die je niet kent (in de administratie bv.), begin je best met de dubbele aanspreking Monsieur, Madame,. Ken je de (naam van de) persoon wél, gebruik dan ofwel Monsieur, ofwel Madame, maar zonder de naamEen arts spreek je aan met Docteur,  en notarissen of advokaten met Maître. Wil je in een licht formele context bijzondere waardering uitdrukken (voor een klant bv.), schrijf dan Cher Monsieur, Chère Madame, of nog Bonjour Monsieur. Zo passen ook Cher Maître of Cher Docteur, indien je – al dan niet beroepsmatig – regelmatig met deze personen in contact bent.

Een informele mail (collega’s, goede leveranciers), kan je beginnen met Bonjour, Bonjour Jean-Paul, Chère Camille,. Een groep spreek je aan met Chers collègues, Chères collaboratrices, Bonjour à tous, Bonjour à toutes et à tous.

Hoe sluit je af?

De slotgroet Meilleures salutations is neutraal vriendelijk, en past perfect in vele formele situaties. Informele zakelijke mails kan je beëindigen met Cordialement, wat overeenkomt met Vriendelijke groet, of Bien à vous (bien à toi), wat de nuance Tot uw/je dienst inhoudt. Bovendien wordt de slotformule – net zoals in het Nederlands – vaak voorafgegaan door een bedanking (D’avance merci) of een wens (Bonne journée, Bon week-end).

Tot slot. Wat met Sincèrement vôtre, Artistiquement vôtre, Musicalement vôtre, Collégialement vôtre? Deze uitdrukkingen komen wat zwaarwichtig over in een e-mail, maar sommige kringen gebruiken ze desondanks graag. Andere ook trouwens, maar dan wél met een knipoog.

Blogueusement vôtre,

Christ’l

P.S. Mails lenen zich minder tot formele berichten, maar indien je het toch overweegt, imiteer dan de formules van een brief, d.w.z. aanspreking + de titel (Monsieur le Directeur,) en afsluiten met een uitgesponnen groet, genre Je vous prie d’agréer, Monsieur le Directeur, l’assurance de ma parfaite considération. (Complete info ivm brieven – met handige voorbeeldzinnen – vind je hier (Appel, Formules usuelles d’introduction et de salutation). Met dank aan l’Office québécois de la langue française).

 

 

Doe de perenboom

BERICHT

Geeft de Russische boycot op Belgische peren een bijsmaak aan onze “appel voor de dorst”, dan is de Franse versie “garder une poire pour la soif” zo mogelijk nog cynischer. Wij gaan ervan uit dat dit onbedoeld is. Toch menen wij  – ter compensatie van deze ongelukkige bijklank – een geste te mogen verwachten vanwege de Franse taal, met name onder de vorm van de uitleen van enkele uitdrukkingen.  

Verklaren wij ons nader. Zoals onderling overeengekomen eten wij voortaan onze perenberg zélf op. Dat is op zich een goede zaak, ware het niet dat wij niet genoeg peren eten. Het aantal plukklare en etensrijpe vruchten neemt gestaag toe, en extra promotie dringt zich op. Wij denken hierbij aan een frekwenter gebruik van het woord peer en aanverwanten. Want wie vaak peer zegt, vaak peer eet.

De Franse taal nu biedt ons ootmoedig enkele gepaste uitdrukkingen aan, die wij – ter bevordering van de consumptie van de Belgische peer – kunnen ontlenen, zolang de nood hoog is.

De eerste kandidaat is de uitdrukking: “de perenboom doen” (faire le poirier). Illustratrice Amandine Alezard toont ons hier hoe we die Franse versie van een handstand best aanpakken (en ook van een palmboom en een bambou, maar dit terzijde). Wij vragen dringend om deze beeldrijke zegswijze per direct over te nemen, om ze vervolgens te pas (en desnoods ook te onpas) te gebruiken, kwestie van de aandacht voor onze peer levendig te houden.

Een tweede kandidaat is het gezegde “tussen de peer en de kaas” (entre la poire et le fromage), wat staat voor iets tussendoor afhandelen, op een verloren moment. Deze uitdrukking bevat niet alleen het woord peer – de eerste vereiste – maar poneert de peer bovendien als mogelijk dessert! Voorwaar twee vliegen in één klap, én een stijlvol alternatief voor “tussen de soep en de patatten”.

Een derde kandidaat kunnen we, gezien de doelstelling, niet in aanmerking nemen. “De peer in twee snijden” (couper la poire en deux) is niet wat we nú beogenFiguurlijk gebruikt stelt zich geen enkel probleem, integendeel, compromissen zoeken is typisch Belgisch en zou ons kunnen inspireren in de perenstrijd; maar letterlijk is het promoten van een halve in plaats van een hele peer, gezien de omstandigheden, niet aangewezen.

Leve de peer! Doe de perenboom!

EINDE BERICHT

Zwembuis

WP_20140806_004

Hoe noem je zo’n schuimrubberen rol voor in het zwembad? Een zwembuis, althans volgens het etiket op de verpakking. Wat een nuchter woord! Even grijs als een natte augustus. Even nuttig  – maar niet noodzakelijk prettig –  als een badmuts, een neusklem of een zwembril. “Niet spatten graag”, bovendien. Had de vertaler van dienst last van een zomerdipje?

Dan belooft de Engelse benaming meer waterplezier. De Canadese fabrikant van bouwmaterialen die in de jaren 80 de water noodle lanceerde moet in een opperbeste bui zijn geweest. Allicht waren de zomers, toen, in Brampton Ontario, warm en zonovergoten. Hoe dan ook, sindsdien drijven in onze zwembaden water noodles, pool noodles, water woggles en water logs (UK), flexibeams én zwembuizen rond. Meer waterpret, want waternoedels!

De Engelse noedels verfransten tot nouilles en spaghettis de piscine/de natation, op enkele tubes (en mousse) de natation, hier en daar, na. En de zwemmers in Québec en Montréal? Die maakten er vrolijk frites de natation en frites de piscine van. French fries obligent!

Toegegeven, zwemfriet klink voor sommigen van ons, hoeders van de lekkerste frieten, een tikje misplaatst. Maar we kunnen er niet omheen, ook deze frite verovert de wereld. Hij staat officieel in de Grand Dictionnaire van het Office québécois de la langue française, én prijkt in grote letters op het etiket van een doos, euh, zwembuizen, in een Vlaamse supermarkt.

Woorden weerspiegelen soms ons humeur. Wat neem jij morgen mee in het water: een zwembuis, een waternoedel of een zwemfriet?

Juliganger of augustusfan

cc_el_120085[1]

Elke zomer halen de Fransen – naast hun tongs (slippers), transats (ligstoelen) en serviettes de plage (strandlakens) – ook de uitdrukking chassé-croisé uit de kast. Met deze term uit de balletwereld beschrijven ze het aflossen van de wacht onder vakantiegangers, en de bijhorende verkeersdrukte. Momenteel is het weer zover: de juilletistes trekken naar huis, de aoûtiens vertrekken op vakantie, en iedereen heeft het over: “le premier grand chassé-croisé de l’été“.  Er komen er dus nog.

Chassé-croisé laat zich niet goed vangen in één Nederlands woord (komen en gaan/uitwisseling van toeristen?) en juilletiste (julivakantieganger?) of aoûtien (augustustoerist?) al evenmin. Die laatste twee hebben trouwens nog meer vakantietrekjes. Schrijf ze zoals je wil (juilletiste of juillettisteaoût of aout) en zeg gerust [oet] of [oe], het mag allemaal. En dan heb je ook nog de bizarre a, die je NOOIT hoort in août en ALTIJD in afgeleiden zoals aoûtien [aoussien]. Een tikje excentriek, ja, maar dat past perfect bij een warme zomer.  

Vakantiewoorden. “Laat alle regels los,” lijken ze te suggereren, “en ga er even tussenuit.” Welja, goed idee. Bonnes vacances à toutes et à tous!

Kwaakverwarring

1024px-Bullfrog_-_natures_pics[1]

Het minste wat je van een een brulkikker mag verwachten is dat hij brult. Maar neen, dat doet hij niet, hij loeit als een rund. Brulkikker is een verbastering van het Engelse bullfrog   – zo vertelde Mieke Hoogewijs op de radio aan Koen Fillet –  en daarom verkiezen kenners de correctere benamingen stierkikker of rundkikker. Aha, vandaar het geloei.

De Fransen noemen de brul-, pardon, rundkikker (la) grenouille-taureau (stierkikker) of  grenouille mugissante (loeiende kikker). Maar ze gebruiken ook de benaming le ouaouaron (zeg: wa-wa-ron). Dit woord kwam, samen met de Amerikaanse brulkikker in kwestie, vanuit Canada naar Europa overgewaaid, en belandde officieel in referentiewoordenboek Le Grand Robert. Het is een van oorsprong Irokees woord uit 1632, dat … ‘groene kikker’ betekent.

Hoezo, ‘groene kikker’? De vertaling van groene kikker is toch grenouille (verte) en niet ouaouaron, want dat is nu net onze fameuze brulkikker. Wat een kwaakverwarring! Tja, taal.

Even resumeren dan maar: kikkers kwaken (les grenouilles c(r)oassent), brulkikkers loeien (les grenouilles mugissantes/ouaouarons mugissent) en op Canadese sites lees je dat ‘les ouaouarons … ouaouaronnent’. Dit werkwoord heeft de woordenboeken uit Frankrijk nog niet gehaald, maar de brulkikker verspreidt zich snel, dus ooit komt het er van.

Laten we gewoon de ouaouarons zelf aan het woord. In dit videofragment hoor en zie je ze aan het werk. Kwaken ze? Loeien ze? Of lijkt het op ouaouaronner? Spits de oren, en oordeel zelf.

 Dit bericht is geïnspireerd op een post uit mijn blog ‘Gewoon Communiceren’ (2010).